Een andere indicator zijn boomringen. De dikte van een boomring wordt beïnvloed door temperatuur en geeft zo informatie over de temperatuur in een bepaalde periode. De rode lijn in Figuur 1 laat de temperatuur zien die is gereconstrueerd op basis van boomringen. Vanuit proxydata hebben we bewijs dat er gletsjers in de Alpen waren (zoals de grote Aletschgletsjer) die in de eerste eeuwen (jaar 0 tot 400) even klein waren als aan het einde van de 20e eeuw [1]. Figuur 1 geeft een overzicht van hoe gletsjerlengte en gletsjeroppervlak in de Alpen veranderd zijn in de afgelopen 2000 jaar. Aan de vraagtekens is te zien dat we niet over elke periode een duidelijk beeld hebben. We weten wel dat gletsjerveranderingen grotendeels komen door veranderingen in temperatuur en dat de temperatuur in de afgelopen 2000 jaar nog nooit zo snel is gestegen als in de afgelopen decennia [2].

Figuur 1: Veranderingen in gletsjers in de Alpen [1]. Lengte Grote Aletschgletsjer [3] (blauwe lijn boven), oppervlakte Mer de Glace [4] (blauwe lijn in het midden), zomertemperatuur geschat uit boomringen in de Alpen [5] (rode lijn onder 30 jarig gemiddelde, zwarte lijn 100 jarig gemiddelde). In warme periodes zijn gletsjers meestal korter dan in koude periodes. Let op! Stijgende lijnen geven krimpende gletsjers aan, dalende lijnen geven groeiende gletsjers aan!
Verandering in de massabalans: groei naar smelt
In Figuur 2 is een overzicht te zien van het gletsjermassaverlies van de afgelopen 50 jaar, afkomstig van metingen die zijn verzameld door de World Glacier Monitoring Service (WGMS) [6]. We kijken graag naar gletsjermassa of gletsjerdikte (massa per oppervlakte) in plaats van naar gletsjeroppervlakte of -lengte, omdat die het duidelijkst weergeven hoe de gletsjer zich ontwikkelt. In Figuur 2 [7] kijken we naar gletsjerdikte omdat we willen vergelijken hoe snel gletsjers wegsmelten. Tot 1985 hadden de Alpengletsjers regelmatig een positieve massabalans: er werd meer massa toegevoegd dan er smolt. Sindsdien verliezen de gletsjers bijna elk jaar massa, en dat gaat steeds sneller. Dit komt door de (steeds sneller) hoger wordende temperaturen, die ervoor zorgen dat er meer sneeuw en ijs smelt in de zomer en dat er meer neerslag valt in de vorm van regen, die vroeger in de vorm van sneeuw zou zijn gevallen.

Figuur 2: Verandering van de gemiddelde gletsjerdikte in de wereld en in de Alpenregio (centraal Europa) sinds 1975. Alleen de globale en centraal Europa lijnen zijn dikgedrukt om de focus op de Alpen te laten zien en dat in het globale perspectief te zetten. Bron: naar een figuur van de Copernicus Climate Change Service [7]
Conclusie
Vergeleken met het wereldwijde gemiddelde (zie Figuur 2) hebben de Alpengletsjers snel en veel massa verloren sinds 1975: ze verloren ruim dubbel zo snel massa als gletsjers op aarde gemiddeld deden. De snelheid van verandering, zowel globaal als voor de Alpen, is absoluut uniek in de afgelopen 2 millennia.
Als we doorgaan met de huidige uitstoot van broeikasgassen is de prognose dat we in 2050 ongeveer 50% van de huidige gletsjermassa in de Alpen kwijt zijn [8]. Als we nu zouden stoppen met de uitstoot zouden we in 2050 alsnog 40% verloren zijn, omdat gletsjers langzaam reageren. Het smelten wat we nu zien is een reactie op de verwarming van de aarde van de afgelopen decennia.